You are here
Al een week lang geen telefoon en email
Ik heb de hele dag aan George en de kinderen gedacht. Dit is al de vijfde dag dat er geen telefoonverkeer mogelijk is. Ik wil zo graag weten of alles goed is met hen en of Jules veilig terug is van een trektocht door Equador. Ik laat een briefje achter bij de secretaresse van het ziekenhuis, voor het geval George belt. Tegen 7 uur 's avonds kom ik moe en stoffig thuis van een lange dag in de bush. Voor de zoveelste keer was ik mijn lange broek en T-shirt op de hand met koud water. Net als ik het wil gaan uitspoelen, komt er geen water meer uit de kraan. Alle zeepresten zitten nog in de kleren. En er is geen spoelwater meer. De enige voorraad water is een flesje gekookt water in de koelkast. Dat blijft echter beschikbaar voor drinkwater. De hele avond is er geen water. Om vier uur 's nachts probeer ik het nog eens, maar nee, geen drup. Om halfzeven sta ik op. Hoera, water. Vlug zet ik twee ketels op het vuur. Voor het wassen van mijn haren. Ik spoel alsnog de kleren goed uit en hang ze op.
11 juli
Het ziekenhuis is niet meer per telefoon bereikbaar; ook mijn computer, gisteren nog ideaal, heeft het vandaag begeven. Waarschijnlijk heeft het te maken met een stroomstoring. Ik maak mij er druk om, maar ik ben de enige. Ik wil graag weten of alles goed is met George, Maaike en Jules Ze zijn steeds in mijn gedachten. Ik luister naar de oproepen van de ANWB via de wereldomroep. Gelukkig geen persoonlijke oproepen.
13 juli
Het wachten is op vertrek naar de stad. Ik mag mee. Mijn belangrijkste reden om mee te gaan is om te kunnen telefoneren met thuis. Acht uur vertrektijd is inmiddels halfelf geworden en nog steeds kunnen we niet gaan. Vanochtend is er weliswaar water maar geen elektriciteit. Nu moet eerst de ziekenhuisgenerator in werking gesteld worden. Iedereen loopt heen en weer. Ik hoor de generator lopen maar we vertrekken nog steeds niet. “ We have something to do”. Deze kans om contact met thuis te krijgen zal me toch weer niet ontnomen worden. Eigenlijk mag er niet na negen 's morgens vertrokken worden naar de stad in verband met het feit dat we weer thuis moeten zijn voor het donker wordt. Te gevaarlijk. Om elf uur is er op de röntgen nog steeds geen stroom. Uit de kraan komt inmiddels ook geen drup water meer. Geen telefoon, geen water en geen elektriciteit. Dit is hier allemaal mogelijk. Tegen halftwaalf vertrekken we; niet met Absolon, maar met Lewis als driver. Ik heb gisteren nog in een meeting met het aidsteam gehoord dat hij niet betrouwbaar is, als een gek rijdt en hem verboden zou moeten worden de landrover te besturen. Ik wil desondanks toch mee. Dit is de kans om te telefoneren. Onderweg krijg ik te horen dat we niet naar Ndola gaan maar naar Luanshya. Daar gaat mijn mogelijkheid om te telefoneren en te mailen vanuit het huis van Gerrit en Hendrikje. Onverwachts stoppen we in Ibenga, het ziekenhuis waar Esther en Olaf aan verbonden zijn. Ik vraag vijf minuten om Esther te bezoeken. Het weerzien is heel leuk. Ik mag meteen van haar naar huis bellen. De vrouw die op de kinderen past herkent mij en is één al vriendelijkheid. Ik probeer contact te krijgen met thuis, maar het lukt niet. Teleurgesteld ga ik terug naar Esther. Ze biedt aan om het vanmiddag nog eens te proberen. Ontzettend aardig. We vertrekken richting Luanshya. Lewis zegt dat hij wel een plek weet waar ik kan telefoneren. Daar aangekomen blijkt het kantoor dicht te zijn. Iedereen is echter behulpzaam en we worden naar een ander gebouw verwezen, waar ik kan mailen. Het is geen internetcafe. Er staat één computer waarachter iemand druk bezig is. Na een kwartier kan ik een kort bericht verzenden tegen 5000kw. Mijn hotmail checken is niet mogelijk. We krijgen geen verbinding. Ik hoop dat Jules snel het bericht leest. Nu op zoek naar het postkantoor. Dat is niet ver, maar helaas is er lunchpauze. Dan maar eerst naar de shoprite om de noodzakelijkste boodschappen te doen. Ik heb met Lewis om 14.30 uur afgesproken. Om halfdrie is er echter geen Lewis te bekennen en om kwart over drie ook nog niet. Ik besluit om toch maar terug te gaan naar het postkantoor. Met een security officer van de shoprite spreek ik af dat wanneer de landrover van Mpongwe Mission Hospital komt, ik zo terug ben. Met zware plastic tassen en de rugzak op sjouw ik naar het postkantoor. De beambte verwijst me naar een aparte kamer waar verschillende mensen zitten om via de ene en enige telefoon midden in de kamer een poging doen om te bellen. Het blijken gelukkig gezinnen te zijn en ik ben al vrij snel aan de beurt. Het kost f. 25,-- voor drie minuten bellen naar Nederland. Ik word heel emotioneel als ik de stem van Maaike, Jules en George hoor. Eindelijk; daar heb ik zo’n lange tijd op gewacht. Gelukkig is alles goed thuis en is Jules weer veilig thuis vanuit Equador. Ik ben dolblij en de tranen van geluk lopen over mijn wangen. Wanneer het telefoongesprek achter de rug is, vraagt een vrouw: “ Madam, what is the problem?”. Ik zeg: “ I just miss my family” en ze troosten me al lachend. Ik loop met betraande ogen terug naar de shoprite waar Lewis en de twee anderen mij al tegemoet komen. Zij hebben anderhalf uur doorgebracht op het politiebureau omdat de permit voor de auto niet betaald is. In eerste instantie wilde de politie hen niet laten gaan, maar uiteindelijk mochten ze toch vertrekken. Morgen moeten zij zich in Mpongwe melden. Ze zeggen dat ze zich ook zorgen om mij hebben gemaakt omdat bij de shoprite veel mensen beroofd worden. "Lewis, wat ben je toch een schat!" Ik denk dat we eindelijk naar huis kunnen, maar daar vergis ik mij weer eens in. Zij moeten nog allerlei materialen inslaan voor het ziekenhuis. We gaan allerlei zaken af en er wordt van alles aan materiaal gekocht voor de garage, het ziekenhuis etc. We zitten in een wijk van Luanshya die India’s, bijna Calcutta-achtig aan doet. Ik vertel dat aan Lewis en hij begint te lachen. Hij zegt dat de hele middenstand in deze stad in Indiase handen is. Zie je wel; ik proef de sfeer, herken de uithangborden, voel mij er thuis. Het is net of ik er eerder geweest ben.
We rijden door de compounds met zijn schamele matten hutjes, richting markt, één en al drukte. De wegen zijn hier ongelofelijk slecht. Kuilen en gaten doen de landrover schuin hangen.
Op de terugweg wil ik toch even langs Ibenga omdat ik dat Esther beloofd heb. Ik krijg weer vijf minuten, maar zeg: " Akkoord, vijf Afrikaanse minuten!? Esther vertelt dat ze morgen op vakantie gaat, naar Noord Zambia en Malawi. Ik vertel haar dat ze de missiepost in Livingstonia moet bezoeken. Zij is verrast, want daar is ze al eens geweest. We blijken op dezelfde plaatsen geweest te zijn. Eerst Calcutta en nu weer Livingstonia in Malawi. Ze zegt dat ze de weg naar boven met zijn 11 haarspeldbochten gelopen heeft. Ik weliswaar met de auto, maar het staat nog helder in mijn geheugen gegrift. Wanneer je na deze klim boven komt, vind je een paradijs. Je vraagt je af hoe de paters het destijds in hun hoofd hebben gehaald om daarboven te bouwen. Een prachtige plek voor hen, maar voor de arme mensen die telkens naar boven hebben moeten lopen, kilometers lang, moet het een opgave zijn geweest.
We vertrekken naar Mpongwe en thuisgekomen bedank ik Lewis. Ook al rijdt hij misschien hard, hetgeen overigens reuze mee valt, hij heeft mij geweldig geholpen vandaag.(wordt vervolgd).